De Weinschenker

Chateau Talbot Saint Julien Bordeaux Frankrijk

Saint-Julien

Geschiedenis Saint-Julien  Vroeger waren het de parochies die geografisch gezien de grenzen bepaalden van de grondgebieden die later de appellations zouden worden. De parochie van Saint-Julien bestaat sinds de 6e eeuw.
In de departementale archieven van de Gironde bestaan tal van getuigenissen die voornamelijk dateren uit de 13e eeuw en waar men niet schrijft over Saint-Julien maar wel over Saint-Julien de Rintrac. Sommigen beweren dat de naam Rintrac of Reignac afkomstig zou zijn van het Latijnse Reyniacum, Rentracum, Rintracum, een Aquiteinse familienaam die later veranderd zou zijn in Saint-Julien. Sanctus Julianus de Rintrac is de benaming die we vaak ontmoeten in de rekeningen van het Aartsbisdom van Bordeaux rond 1341, 1342, 1367 en 1398.
In 1791 nam het directoraat van het Girondedepartement de naam Saint-Julien aan en het is dan ook deze vorm die we terugvinden in alle administratieve dokumenten vanaf 1830. De legerstafkaart van 1875 vermeldt eveneens Saint-Julien.

In tal van oude documenten wordt ook melding gemaakt van Saint-Julien en Saint-Mambert, wat de naam is van een nabijgelegen oude parochie. Men kan zich gemakkelijk voorstellen dat zonder de parochiale omwentelingen die volgen op de revolutie, Saint Manbert (vandaag Saint-Lambert) deel zou uitmaken van Saint-Julien, wat dan ook het geval zou zijn voor grand crus zoals het beroemde Château Latour. Zo zou Saint-Julien zijn Premier Grand Cru Classé gehad hebben.
Met de lijst van opeenvolgende eigenaars van de wijngaarden van Saint-Julien zou men een heus wapenboek kunnen vullen. We vinden ze trouwens terug in de documenten die betrekking hebben op de bouw van de kerken.
De terroir Voor een minder aandachtige toeschouwer lijken de wijnvelden van de Médoc nogal eenvormig. Dit komt omdat ze op geringe hoogte uitgestrekt liggen, licht uitstijgend boven de oevers van de Gironde naar het oosten en aanleunend tegen Les Landes in het westen.
Laten we echter niet de verbrokkeling van de grindlaag vergeten,die de vroegere rivierterrassen om heeft gevormd tot kiezelachtige bulten. Deze kleine grindheuvels worden doorsneden door een systeem van kleine valleien, "les jalles", die uitkomen in de Gironde. De hellingen zijn bolrond zodat het overtollige regenwater probleemloos kan wegvloeien zonder evenwel de drainage te beletten.

Deze drainage is noodzakelijk om de grondwaterstand op peil te houden. Dit alles betekent een prachtige bodem voor de wijnstok die erg diep wortel kan schieten. Er is hier nergens sprake van stilstaand water wat "vergif voor de druif" betekent, zoals wordt omschreven door een rentmeester uit de Médoc in het begin van de negentiende eeuw.
De wijngaard van Saint-Julien bevindt zich tussen het moeras van Beychevelle, in het zuiden en het beekje Juillac in het noorden. Dit laatste is tevens de natuurlijke grens met een andere befaamde wijngaard: Pauillac.
De grindlaag van Saint-Julien-Beychevelle heeft de vorm van een groot rechthoek, ongeveer 5 km lang en 3,5 km breed. Ze grenst in het oosten aan de moerassen van de Gironde en aan het bekken van Beychevelle in het zuiden. Door haar centrum loopt het beekje Long dat een tweede basisniveau vormt. Het scheidt ondermeer de sector Beychevelle (zuiden) van de sector Saint-Julien (noorden) waar de gemeentelijke diensten gevestigd zijn.
Deze omstandigheden leidden tot een verregaande versnippering van de alluviale kleilaag zodat we kunnen zeggen dat de beste wijngaarden zich op deze drie " fronten" bevinden.
Uitstekend boven de moerassen van Beychevelle, op 15 à 21 meter hoogte, bevinden zich achtereenvolgens van oost naar west, meerdere "crus classés": Branaire-Ducru, Gruaud-Larose, Lagrange, Saint-Pierre. De oostrand ligt iets minder hoog. Hij ligt nochtans goed afgescheiden boven de moerasvlakten die als weiland gebruikt worden.
Er liggen drie geklasseerde kastelen op deze rand: Beychevelle, Ducru Beaucaillou en Langoa. In het noorden ten slotte liggen drie Léovilles. De " clos" van Léoville-Lascases, ten noorden van de dorpskom van Saint-Julien, ligt bijzonder in de kijker op zijn geïsoleerde heuvelkam.

Ten westen en ten noordwesten van deze twee rijen kastelen is het reliëf van de Saint-Julien-wijngaard minder scherp getekend. De hellingen worden minder grillig. Enkele minder hoge heuvelkammen herbergen zeer goede "crus classés" zoals Talbot, en een aantal "crus bourgeois" zoals o.a. Château Gloria. Wanneer we verder oostwaarts trekken wordt het landschap heel wat vlakker en het zwarte zand wint terrein. Zodoende worden de schitterende wijngronden ingeperkt.
Garonnegrind uit het Kwartair Het reliëf bestaat uit goed gedraineerde hellingen met grind van een bepaalde ouderdom en samenstelling. Zowel in Bordeaux als in de Médoc betekent "Graves" of grind, niet alleen een "appellation contrôlée" van hoge kwaliteit, maar vooral dit systeem van alluviale afzettingen in een soort kuip, die ontstaan is door insnijding van de Garonne-Gironde in het Kwartair.
Deze "Graves" die hun oorsprong vonden in de ijstijd verbindt in kiezelachtige structuur met een klein gehalte aan klei, een massa ronde keien die voornamelijk bestaan uit kwartselementen: witte of geaderde kwartskeien, witte en blauwe vuursteen uit de Périgord, zwarte lydiet afkomstig uit het noordoosten van het bekken van Aquitanië en zelfs ophopingen zachte klei van zuidelijke oorsprong.
Maar deze afzettingen dateren niet alle uit hetzelfde tijdperk. Ten westen van Médoc, namelijk in de streek van Listrac, is grind kleiner en minder gevarieerd in samenstelling; het is afkomstig van de Pyreneeën en dateert uit het Plioceen.
De afzetting van Saint-Julien daarentegen dateert uit het vroege Kwartair (Grünz).Vermoedelijk meer dan een miljoen jaar geleden, meegevoerd door de toenmalige Garonne en Dordogne. Deze twee stromen bepalen de bodemsamenstelling van Saint-Julien en die van andere grote namen uit de Médoc. Ze haalden hun materiaal stroomopwaarts zodanig dat de laag van Saint-Julien bestaat uit grote keien van zeer gevarieerde lithologische structuur.
In de meer recente tijdperken van Mindel en van Riss-Würm werd deze alluviale afzetting tot een geheel van heuveltoppen omgevormd waardoor dit gebied het beloofde land der "Grand Crus" werd, temeer omdat het grind rust op een onderlaag van kleikalk uit het Oligoceen en het Eoceen ( Saint-Estèphe-kalk).
In Haut-Médoc is deze Garonnelaag makkelijk herkenbaar aan de grootte van de keien. Dit is de bodem van alle "Grands Crus Classés.
Proost   Zum Wohle   Prosit   Salute   Cherio   Sante
Flessenpost naar De Weinschenker
™De Weinschenker1203