Waar komt de wijn vandaan? Bijzonder veelijzend was de in het wild groeiende druivensoort nooit. Fossiele opgravingen rijken tot in het tertiair tijdperk
Toen was de plant op het noordelijk halfrond van China tot Noord-Amerika en zelfs in Groenland vertegenwoordigd verbreidt.
De laatste ijstijd maakte wel een einde aan het bestaan. Pas voor 10.000 jaren breidde de wijn zich in de hele wereld opnieuw. Verder als tot de 45 graad haalden het de wilde druiven het niet meer. Wijn behoort tot de soort Vitis, een soort met ontelbare variaties.
De traditionele cultuurdruif werd uitsluitende van een van deze soorten ontwikkeld, het specialistische Vitis vinifera.
In de oriënt heeft men de druivensoort omstreeks 7 000 jaren v. Chr. het eerst systematisch geplant.
Tot iemand er achter kwam om uit druiven wijn te vinificeren duurde het nog eens 3000 jaren.
Toen de wijn nog vergif was
Met alle waarschijnlijkheid waren het de Perser, die het eerste keer druivensap tot wijn lieten gisten. Vandaar in de handen van Egypte, Phoneciers, Grieken en Romeinen.
Deze drank had echter met de vandaag bekende wijn weinig gemeen. De oude culturen kruiden hun wijnen en maakten ze bovendien zeer zoet. Deze gegevens kan / moet de oorzaak geweest zijn in de ondergang van het roomse rijk.
Zo enkele historiekers. Omdat de Romeinen een loodmengsel gebruikten voor het zoeten van de wijnen.
Zij lieten de wijn in loten schalen indikken tot de zware metalen een verbinding waren aangegaan met de zuren van de wijnen. Dat dit hooggradig vergif was, was toen blijkbaar niet bekend.
Voordat de Romeinen hun wereldrijk opgaven zorgden zij nog voor een verbreiding van de wijnaanbouw in alle koloniën. In het 4de jaarhonderd na Chr. bereikten de druivenstokken o.a. ook het dal van de Mosel.
Zeker de Galliërs leerden snel vermeerderen en gebruik van de druiven.
Immers om de concurrentie uit het noorden in te dammen besloot keizer Domitian drastisch in te grijpen door de meeste wijnstokken te verwijderen.
Ondanks dat de ’wilde druivensoorten’ op het noordelijk halfrond goed vertegenwoordigt waren, is men de zijn de gecultiveerde druivensoorten steeds trouw gebleven. Overal in China, Chili of Californië, altijd maar de vitis vinifera duiven.
Pas als de druifluis, een klein uit Amerika ingesleepte schadeling de wijnaanbouw in een grote crisis stortte geven de telers aandacht aan lange tijd ongebruikte telingen.
En ook voor resistente nieuwe teelt is in eerste lijn de Amerikaanse soort zoals de Vitis Rupestris of Vitis Riparia onmisbaar.
In totaal zijn vandaag om de 15 000 verschillende druivensoorten geregistreerd, waarvan om de 1000 geregeld aangebouwd worden.
Wat brengen nieuwe druivensoorten? Met nieuwe soorten willen de telers de nadelen van de oudere soorten uitschakelen, zoals gevoeligheid voor bevriezingen en ziektes.
De grootste successen bleken het telen van soorten, die van de druifluis geen last hadden.
De bekendste is wel de Müller-Thurgau, een kruising van Riesling met Silvaner. Bovendien is hij is vroeger rijp dan de Riesling en is hierdoor ook in koudere regio’s te planten.
Waarom is het telen van nieuwe druivensoorten zo belangrijk? Tot men het resultaat van een kruising kan proeven zijn meer dan vijf jaren nodig.
|